FRANK DEN BUTTER & HARRY WEBERS | Rijnlands leiderschap | view

Rijnlands leiderschap in De Evolutiegids

13 april 2021 | Frank den Butter & Harry Webers
Rijnlands leiderschap is cruciaal
in het politieke landschap

Een terloops genomen foto op het Binnenhof heeft aangezet tot een omslag in de politieke bestuurscultuur in ons land. Na enig uitvergroten waren op de foto de getypte aantekeningen van verkenner Kajsa Ollongren bij de start van de kabinetsformatie in 2021 te zien. De meest brisante en spraakmakende aantekening was: ‘Positie Omtzigt, functie elders’. Omtzigtgate was geboren.

Afgezien dat Pieter Omtzigt wederom met veel voorkeurstemmen gekozen is als CDA-Kamerlid (Kamerlid is de hoogste politieke functie in ons staatsbestel), geeft het geen pas dat er in deze verkenningsfase zo over personen wordt gesproken en zeker niet over een andere functie voor een uiterst kritisch Kamerlid.

Rutte-doctrine
Nog erger werd het toen minister-president Mark Rutte later voor de camera van de NOS verklaarde dat de verkenners geen verantwoording hoefden af te leggen en dat niet hoefde te worden opgehelderd hoe er over Omtzigt was gesproken. In weerwil van dit voorbeeld van de Rutte-doctrine vroeg de Tweede Kamer hierover in een debat duidelijkheid. Dit debat in de nacht van 1 op 2 april 2021 leidde tot een vertrouwensbreuk tussen Rutte en alle politieke partijen behalve bij zijn eigen VVD. De indruk bestond dat Rutte over zijn bemoeienis met de positie van Pieter Omtzigt niet transparant en eerlijk was  geweest. Terwijl het juist Omtzigt was die de bestuursstijl van het niet of onvolledig inlichten van de Kamer en van het niet verschaffen van essentiële informatie aan burgers met zoveel volharding aan de kaak had gesteld. Zijn vasthoudendheid in de kindertoeslagaffaire leidde uiteindelijk tot het aftreden van het kabinet Rutte III.

Rijnlands leiderschap
Hoewel Rutte een motie van wantrouwen ternauwernood overleefde en hij misschien kan doorgaan als regeringsleider, is de roep om de aanpassing van zijn leiderschapsstijl evident. Zijn grootste uitdager in de Kamerverkiezingen 2021, Sigrid Kaag, heeft met haar verkiezingsleus ‘Het is tijd voor nieuw leiderschap’ niet voor niets veel D66-zetels gewonnen, zeker in vergelijking met de peilingen. In de verkiezingsretoriek van D66 gaat het daarbij om ‘leiderschap dat omkijkt naar mensen en vooruitkijkt naar morgen. Dat iedereen vrij laat, maar niemand laat vallen’.

Oud-D66 senator en oud SER-voorzitter Alexander Rinnooy Kan was in de TV-uitzending van Buitenhof op 4 april 2021 meer specifiek over wat nieuw leiderschap inhoudt en wanneer het einde van een leider in zicht komt. Volgens Rinnooy Kan is leiderschap situationeel bepaald, en is in deze situatie – waar herstel van vertrouwen in de politiek prioriteit heeft – ‘Rijnlandse leiderschap’ nodig. Daarbij is het Rijnlandmodel springlevend getuige het feit dat het wordt omarmd door nieuwe leiders als Tuur Elzinga (voorzitter FNV) en Ingrid Thijssen (voorzitter VNO-NCW). Laatstgenoemde en Jacco Vonhof (voorzitter MKB-Nederland) lanceerden begin februari de ‘Agenda NL 2030. Ondernemen voor brede welvaart. Naar een nieuw Rijnlandse samenspel’. Daarin krijgen inclusiviteit, diversiteit en duurzaamheid een centrale rol toebedeeld. En in de inclusieve en duurzame samenleving van de toekomst zullen dominante masculiene waarden plaats maken voor meer feminiene waarden.

Rijnlandmodel
De vraag is dan wat dit Rijnlandmodel is en op welke manier leiderschap in dit model functioneert? Opvattingen over het Rijnlandmodel waaieren in vele richtingen uit. Zo is een afbakening nodig van wat onder het Rijnlandse denken wordt verstaan. In principe gaat het om een sociaaleconomisch ordeningsprincipe dat tussen het neoliberale Angelsaksische (Anglo-Amerikaanse) en het socialistische model in ligt. Als Nederlandse variant hierop ontstond ons eigen consensus- of poldermodel.

Karakteristieken van het Rijnlandmodel
Vanuit dit perspectief kan het Rijnlandmodel door de volgende vijf punten worden gekarakteriseerd:

  1. Toename van de welvaart (in brede zin) van de ander (handelspartner, handelsstad, handelsland, je eigen buurman) is ook gunstig voor de eigen welvaart. Dit impliceert een economie die gericht is op zoveel mogelijk winnaars. Dit in tegenstelling tot het neoliberale gedachtegoed om ervoor te zorgen dat men zelf zoveel mogelijk wint, veelal ten koste van een ander (lees: de verliezer).
  2. Het Rijnlandmodel is vooral geschikt voor een regio of land waar het verdienvermogen met name op dienstverlening en handel is gericht – denk aan de Hanze die wel als bron van het Rijnlandmodel wordt gezien.
  3. De economie conform het Rijnlandmodel is vooral horizontaal georganiseerd, waarbij alle belanghebbenden een stem bij de uiteindelijk te nemen beslissingen krijgen. Gemeenschappelijke waarden en belangen spelen daarbij een grote rol, en samenwerking is de motor van de samenleving. Dit in tegenstelling tot de verticale en hiërarchische organisatie in het Anglo-Amerikaanse model. Wel is bij de uitvoering van besluiten, wanneer voldoende draagvlak is verkregen, enige hiërarchie en gelaagdheid in de organisatie nodig.
  4. In het Rijnlandmodel speelt (de waarde van) onderling vertrouwen een belangrijke rol: het draagt bij tot het verlagen van transactiekosten waardoor samenwerking en uitvoering van besluiten soepel verlopen. In het Anglo-Amerikaanse model berust deze oplossing van de ‘game of trust’ sterk op juridisch dichttimmeren hetgeen de kosten juist verhoogt (zie VU-proefschrift van Robert Mosch uit 2004).
  5. In het Rijnlandmodel blijft – conform de theorie van de economie van de collectieve sector – interventie van de overheid nodig in het geval dit overheidsingrijpen bijdraagt aan verhoging van de welvaart: internaliseren van externe effecten, voorziening collectieve goederen en afdwingen van herverdeling op grond van politieke preferenties. Kortom, de overheid dient het publieke belang te borgen. Deze borging kan niet alleen worden overgelaten aan de sociale partners. Daarom ook vormen de onafhankelijke leden in de SER de derde partij: zij dienen ervoor te zorgen dat het algemeen (publiek) belang in de samenspraak tussen sociale partners niet veronachtzaamd wordt.

Rijnland en Hanzementaliteit
In de tijd van de Hanze (1356 – 1669) was het Rijnland naast het Oostzeegebied het belangrijkste achterland voor de Hanzesteden in Oost-Nederland. Zo was Keulen een belangrijke handelspartner voor Deventer: meerdere historische plekken in Deventer getuigen nog van deze handelsrelatie. In de Hanzetijd werd niet alleen goed verdiend aan de handel, maar werd er ook royaal geïnvesteerd in de medemens in de vorm van charitas, goed onderwijs, gezondheidszorg en kunst en cultuur.

Onze handelsrelatie met Duitsland is er in de loop van de tijd niet minder om geworden. Terwijl de handelsbalans (saldo van import en export van beide landen) in 2008 48 miljard euro bedroeg, was die in 2019 gestegen tot naar liefst 193 miljard, en in het economisch mindere coronajaar 2020 nog steeds 172 miljard.

Hoewel de Hanze officieel al eeuwen niet meer bestaat is het Hanze-DNA nog steeds herkenbaar in de mentaliteit van de inwoners van het Rijnland en inwoners van Oost-Nederland: durf en lef, ondernemerschap, vertrouwen, verbondenheid en samenwerking, burgerzin en gemeenschapszin. Pieter Omtzigt heeft zijn mentaliteit dan ook van geen vreemde.

Op 14 mei 2009 was er een bijeenkomst in de Eerste Kamer, waarbij het thema ‘markt en moraal’ en de toekomst van het Rijnlands Model in Europa centraal stonden. Minister-president van de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen, Jürgen Rüttgers (CDU), zei toen in zijn toespraak het volgende over de Europese crisis: “Deze crisis is ontstaan door onbegrensd materialisme en overtrokken kapitalisme”. Hij noemde ‘kapitalisme met een menselijk gezicht’ als belangrijke kernwaarde van 60 jaar ‘Wirtschafswunder’. En volgens hem hadden de neoliberale droom van een laissez faire-economie en het turbokapitalisme afgedaan. Daarom pleitte hij voor een actief handelende overheid en een Europese aanpak van de recessie.

Tijdens deze bijeenkomst in de Eerste Kamer pleitte SER-voorzitter Alexander Rinnooy Kan in zijn toespraak voor meer zelfreinigend vermogen bij bedrijven, maatschappelijk verantwoord ondernemen en verdergaande Europese integratie.

Aanjager
Vanuit de organisatietheorie en bedrijfseconomie is het Rijnlandmodel al geruime tijd onderwerp van discussie. Een van de aanjagers is hoogleraar Organisatiekunde Mathieu Weggeman. Hij benadrukt het belang van vakmanschap, en hoe je leiding moet geven aan professionals. De titel van zijn prijswinnende managementboek ‘Leidinggeven aan professionals? Niet doen!’ (2008) spreekt boekdelen. In het Rijnlandse denken is de organisatie een basis voor ‘werkgemeenschappen’ waar professionals die het werk onderling regelen en uitvoeren vaak in direct contact staan met de afnemer. Al geruime tijd organiseert Weggeman bijeenkomsten in de Vanwoodman Society waar over het Rijnlandmodel wordt gebrainstormd. Op één van deze bijeenkomsten heeft een van ons in 2007 een
referaat gehouden, waarbij werd ingegaan op de aansluiting tussen het Rijnlandmodel en het poldermodel, en op de rol van Tinbergen in de inrichting van onze overlegeconomie.

Een andere aanjager van het Rijnlands denken in Nederland is Jaap Peters. Hij is vooral bekend door de bestseller ‘Intensieve menshouderij: hoe kwaliteit oplost in rationaliteit’, die hij in 2004 samen met Judith Pauw heeft geschreven. Het probleem is dat managers hun organisatie dusdanig inrichten, dat hun medewerkers op de werkvloer steeds minder vrijheid krijgen, net als varkens in de intensieve veehouderij. Mensen worden niet ziek van werken, wel van de wijze waarop werk is georganiseerd. Het Rijnlandse alternatief is vertrouwen geven en ruimte laten voor vakmanschap en waardering voor de eigen professionaliteit zonder allerlei minutieuze organisatorische controlemechanismen.

Intrinsieke motivatie
Anders gezegd, het Rijnlandse organisatiemodel laat ruimte voor intrinsieke motivatie, waardoor professionals trots kunnen zijn op hun vakmanschap en er weinig leiding nodig is. Door de vele regels en controles die moderne managers denken nodig te hebben, verdwijnt de intrinsieke motivatie en wordt die vervangen door extrinsieke motivatie om zich vooral goed aan de regels te houden of zich – in het onzichtbare – daaraan zoveel mogelijk te onttrekken. Dit is niet alleen fnuikend voor de kwaliteit van het werk, maar brengt op den duur ook veel meer (transactie)kosten met zich mee dan wanneer wordt vertrouwd op eigen initiatief en vakmanschap.

Dit geldt niet alleen voor bedrijven, maar is ook – en wellicht nog sterker – het geval binnen het overheidsbestuur. Het behoeft weinig toelichting dat er toezicht nodig is op het handhaven van regels die vanuit het publiek belang zijn opgesteld. In de traditionele benadering  van het toezicht stelt de toezichthouder autonoom de regels vast waaraan de burgers of bedrijven zich moeten houden. Of men het met die regels eens is, doet er niet toe. Zulke opgelegde regels betekenen dat de burgers en bedrijven alleen extrinsiek gemotiveerd zijn om zich eraan te houden. Veel lucratiever is het wanneer de burgers en bedrijven intrinsiek, dus vanuit hun eigen voorkeuren of eigenbelang, gemotiveerd zijn om zich aan de regels te houden (Den Butter, 2014).

Ongekend onrecht
Dit organisatorisch falen van de overheid vanwege een te ver doorgevoerde managerscultuur is een belangrijke oorzaak waarom het bij de Belastingdienst zo vreselijk is misgegaan bij de kindertoeslagaffaire – en niet alleen daar.
Het rapport ‘Ongekend Onrecht’ doet hiervan uitvoerig verslag. Pieter Omtzigt bespreekt in zijn boek over een ‘Nieuw Sociaal Contract’, over hoe het in het bestuurlijke model in ons land aan een tegenmacht tegen de macht van de overheid heeft ontbroken. Essentieel is dat er bij de overheid geen intern georganiseerde reflectie op de uitvoering en weinig ruimte voor kritiek binnenshuis is (Den Butter, 2021a).

De meest schrijnende voorbeelden van dit organisatorische manco bij de Belastingdienst zijn het negeren van de signalen van oud-ambtenaar en klokkenluider Pierre Niessen en het wegmoffelen van een memo van Sandra Palmen. Palmen was bij Belastingdienst/Toeslagen aangesteld als onafhankelijk juridisch adviseur die moest toezien op juiste uitvoering van de wet. In haar memo, dat Palmen op 13 maart 2017 aan haar lid van het Management Team stuurde, oordeelde zij dat de Belastingdienst/Toeslagen laakbaar had gehandeld. In feite geeft haar memo de samenvatting van de conclusies over het optreden van de Belastingdienst zoals deze eind 2020 zijn getrokken door de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag. De leiding van de Belastingdienst heeft niets met dit memo gedaan, behalve dan het opheffen van de onafhankelijke adviesfunctie. Pieter Omtzigt beschrijft in zijn boek hoe ongelofelijk veel moeite Renske Leijten en hijzelf moesten doen om er achter te komen dat dit memo überhaupt bestond. Uiteindelijk is de inhoud bekend geworden, omdat Palmen het voor de ondervragingscommissie moest voorlezen.

Nieuw Rijnlands politiek leiderschap
De kindertoeslagaffaire toont welke behoefte er is aan nieuw Rijnlands politiek leiderschap. Dit is meer dan alleen Rijnlands bedrijfseconomisch leiderschap. Het is ook meer dan charismatisch leiderschap in het stakeholders kapitalisme met maatschappelijk verantwoord ondernemen en door het bedrijfsleven geïnspireerde overheidsbemoeienis zoals dat door het World Economic Forum is bepleit
(Den Butter, 2021b). Het is aan de overheid, en niet aan het bedrijfsleven, om via de politieke voorkeuren, de belangen van alle burgers, en ook van de toekomstige generaties te dienen.  Niet voor niets zei Ingrid Thijssen tijdens een interview in Forum na haar benoeming: ”We moeten de wereld straks aan onze kinderen en kleinkinderen overdragen, en het liefst een beetje beter dan die nu is.”

In die zin is er een verschil tussen ons Nederlandse, volgens de leer van de economische politiek van Tinbergen georganiseerde poldermodel, en het stakeholder kapitalisme van het World Economic Forum.

Vertrouwen
Rijnlands politiek leiderschap zorgt voor begrijpelijke en transparante wet- en regelgeving, die tegen lage kosten handhaafbaar en controleerbaar is. Dit leiderschap bouwt vertrouwen van burgers en bedrijfsleven in de overheid op, in de hoop op reciprociteit zodat de overheid ook de burgers en het bedrijfsleven kan vertrouwen.

Rijnlands politiek leiderschap organiseert macht en tegenmacht waarbij conflicten zoveel mogelijk worden vermeden. Tegenmacht of tegenwicht en tegenspraak, zoals dat ook wordt gepropageerd door de Minister van Staat en huidige informateur Herman Tjeenk Willink, die ook wordt gezien als een aanhanger van het Rijnlandmodel.

Rijnlands politiek leiderschap houdt vast aan lange-termijndoelstellingen om grote maatschappelijke problemen te kunnen aanpakken, en laat de waan van de dag vooral de waan van de dag. Rijnlands politiek leiderschap weegt de belangen van de gehele samenleving en niet alleen van de eigen politieke achterban en/of sociale partners. Dit leiderschap zorgt ervoor dat toekomstige generaties minstens even welvarend kunnen zijn als de eigen generatie. Kortom, Rijnlands leiderschap is cruciaal in het politieke landschap.

Deel de kennis van De Evolutiegids

Klokkenluider wil cultuurverandering bij hele overheid

14-04-21: Jarenlang vroeg oud-ambtenaar Pierre Niessen tevergeefs aandacht voor misstanden bij de afhandeling van bezwaarschriften in de toeslagenaffaire. “Leidinggevenden moeten persoonlijk verantwoordelijk gehouden kunnen worden voor hun beslissingen. De werkvloer moet veel meer zeggenschap krijgen. Het was altijd top-down; er kwamen bevelen die moesten worden uitgevoerd. Er heerste een angstcultuur. De vraag of een beleid wel uitvoerbaar is, of dan niet in strijd met de wet wordt gehandeld, moet beantwoord kunnen worden. Daarvoor is het nodig dat mensen zich uit moeten kunnen spreken tegen hun meerderen.” Bron: Nu.nl
Economiegids Frank den Butter
AUTEUR FRANK DEN BUTTER | ©EVOLUTIEGIDS | 210413
Economiegids Frank den Butter is hoogleraar Algemene Economie aan de Vrije Universiteit Amsterdam.
Transactie-econoom die onderzoekt hoe Nederland zijn positie als handelsland in de toekomst het beste kan benutten.
harrywebers3
AUTEUR HARRY WEBERS | ©EVOLUTIEGIDS | 210413
Harry Webers is Hanzegids en kwartiermaker
van de Hanze in Oost-Nederland en o.m. voorzitter SER Overijssel.

COPYRIGHT | PRIVACY |CREATED BY MARY SPAN | ARCHIEF

CONTACT US

We zijn momenteel niet aanwezig. Je kunt ons een e-mail sturen, dan komen we er zo snel mogelijk op terug.

Wordt verstuurd

Login met je gegevens

Je gegevens vergeten?