DEN BUTTER & WEBERS | Het Hanze-alternatief | view

Hanze-alternatief in de Evolutiegids

21 mei 2020 | Frank den Butter Economiegids | Harry Webers Hanzegids

Er is een Hanze-alternatief voor de nieuwe economie

Post-corona-economie. Het lijkt nog ver weg, maar het post-coronatijdperk komt er hoe dan ook aan. Laten we alles bij het oude? Of moet het roer volledig om? Economiegids Frank den Butter en Hanzegids Harry Webers zetten hun Rijnlandse visie om in een evolutionaire beweging. Wie door de coronastress heen durft te kijken, maakt nú plannen voor werkelijke evolutie.

In deze bijdrage gaat het om de vraag hoe we met ons land, de economie en de wereld verder moeten nadat de dreiging van het coronavirus voorbij is. Gaan we terug naar de oude wereldorde en economie van voor de pandemie of benutten we deze stressvolle episode om er samen lering uit te trekken voor een toekomst met een minder competitieve en meer coöperatieve maatschappij, en met een toekomstbestendige economische ordening?

Zo’n nieuwe maatschappij en wereldordening vormen ook een alternatief tussen de twee sombere scenario’s, die Rutger van der Hoeven en Casper Thomas schetsen in de Groene Amsterdammer van 7 mei 2020: een wereld met een sterk China maar zonder leider, of terug naar het Amerikaanse leiderschap van voor de crisis (of zelfs van voor het presidentschap van Donald Trump). Bij het alternatieve, meer optimistische scenario, komt het leiderschap meer bij Europa te liggen. Dit in de wetenschap dat juist de Europese samenwerking berust op de erkenning van de behoefte aan variaties bij het inrichten van de taken op Europees en nationaal niveau, zoals het WRR-rapport ‘Europese Variaties’ bepleit. Dit alternatieve scenario voor een nieuwe toekomst na de coronacrisis kan worden gekarakteriseerd als het Rijnlandse model in combinatie met de Hanzementaliteit.

Het neoliberale model

Het economisch denken in de Angelsaksische wereld is in de afgelopen decennia gedomineerd door de neoklassieke theorie. Overigens zijn hierin al voor de coronacrisis flinke barsten gekomen, of  – anders gezegd – aanvullingen op de theorie verschenen, die de uitkomsten nuanceren. Volgens deze theorie, die het neoliberale denken onderbouwt, vertoont de homo economicus altijd rationeel gedrag, waarbij het nastreven van eigen welvaart leidt tot de hoogste maatschappelijke welvaart.

Uitgangspunt is daarbij dat de overheid klein is (lees: hoe kleiner hoe beter) en slechts in beeld komt wanneer het strikt noodzakelijk is. In deze neoklassieke wereld moet de onderlinge concurrentie tussen bedrijven en burgers ervoor zorgen dat schaarse goederen en middelen daar terecht komen waar dat het beste is, en dat het economische proces zo efficiënt mogelijk verloopt.  Economische groei is heilig en wie in de prestatiemaatschappij het beste past c.q. zich het beste aanpast, maakt zelf ook de grootste winst en is spekkoper. Markten dienen ongestoord te kunnen functioneren en de prijsvorming op de markten zorgt ervoor dat de economie het optimale welvaartspad blijft bewandelen. Iedereen is vrij in zijn of haar doen of laten, maar in de meer extreme vorm van dit gedachtegoed is er in deze wereld weinig empathie voor verliezers en voor burgers, die van het pad van de rationaliteit (willen) afwijken. 

Handel dient in dit neoliberale model vooral tot eigen voordeel te strekken. Daarbij dienen wel de voorwaarden van de handelstransactie in juridische contracten te worden vastgelegd, voor zover tenminste bestaande wetgeving niet allerlei mogelijk bedrog afdekt.  De leidende rol van de Verenigde Staten (VS) in de wereldeconomie was lange tijd op dit neoliberale gedachtegoed gebaseerd. President Trump heeft daarin flink verandering gebracht, nu de VS niet langer een wereld met vrijhandel voorstaan, maar het adagium America First centraal staat met ongebreideld nationalisme en protectionisme tot gevolg. Verontrustend is dat de meeste Republikeinse partijgenoten van Trump zich niet tegen deze omslag in denken en handelen verzetten. Niet minder verontrustend is dat de Democratische partij geen coherent alternatief wereldbeeld weet te schetsen.

Het Chinese model

De coronacrisis heeft de tegenstelling tussen de manieren waarop de VS en China hun maatschappij en economie organiseren, aangescherpt. Dit heeft geresulteerd in een handelsoorlog tussen de Verenigde Staten en China, waarbij de relatie extra op scherp is gezet door de aanhoudende kritiek die de regering Trump krijgt op de trage en chaotische aanpak van de pandemie.  Het coronavirus werd door Trump zelfs ‘het Chinese virus’ genoemd, terwijl hij in het begin China nog prees om de doeltreffende aanpak van de corona-uitbraak in Wuhan.

Het economische en sociale leven wordt in China door de staat (lees: communistische partij) gedomineerd. Chinese leiders worden geacht volledig ten dienste van hun volk te staan, en ze worden onmiddellijk aan de kant gezet wanneer ze dat niet meer dienen. De huidige leider Xi Jinping heeft na zijn benoeming als President van de Chinese Volksrepubliek in 2013 een sterke machtsbasis verworven. In maart 2018 heeft het nationale Volkscongres Xi Jinping herbenoemd zonder limiet aan de benoemingstermijn. Het gevolg is dat de Chinese regering consequent kan vasthouden aan zijn (economische) strategie en daarmee ook aanmerkelijk meer meters kan maken dan landen, waar de verandering van de politieke kleur van een regering vaak ook leidt tot koersverandering. 

China krijgt langzaam maar zeker – en zonder daarbij de leiderschapsrol op te eisen – meer invloed in de wereldeconomie en op de internationale handelsstromen. Dit gebeurt onder meer door de zogeheten Nieuwe Zijderoute, die enerzijds bestaat uit een netwerk voor wegvervoer en spoorvervoer, en anderzijds uit de zogeheten Maritieme Zijderoute voor scheepvaart. Het betreft niet alleen de ontwikkeling van verkeersinfrastructuur, maar ook hulp en financiering aan bedrijven, energieprojecten en grond- en delfstoffenwinning wereldwijd. Dit alles leidt tot grote geopolitieke verschuivingen, waarmee China zijn invloedssfeer uitbreidt, overigens zonder zich veel zorgen te maken over de eventuele gevolgen voor de plaatselijke bevolking.

Een ander voorbeeld is het sociaal kredietsysteem in China. Dit houdt in dat alle burgers een bepaalde score krijgen op basis van hun gedrag. Met een goede score kan men bepaalde voorrechten verkrijgen. Een slechte score heeft tot gevolg dat men allerlei (voor)rechten kan verliezen, zoals de mogelijkheid om geld te lenen, naar het buitenland te reizen, toegang tot sociale voorzieningen of de kans op een (goede) baan. Zo domineert de staat het sociale leven en bepaalt de staat ook de strikte regels waarbinnen het economisch leven zich afspeelt. Dit roept associaties op met het doembeeld van de Brave New World (1932) van Aldous Huxley, waarin de mensen gezond en gelukkig zijn en ook geen armoede kennen, maar waarin de vrije keuze voor het individu niet meer bestaat.

Dit neemt overigens niet weg dat er in het moderne China wel degelijk private productie en handel mogelijk zijn. Waar in het westen vertrouwen tussen handelspartners wordt opgebouwd in de loop van een handelsrelatie, moet dit vertrouwen in China eerst worden opgebouwd voordat er een transactie kan plaatsvinden. Belangrijk hierbij is de rol van guanxi, hetgeen meer is dan alleen een zakelijke relatie: voor de Chinezen betekent guanxi een wederzijdse gedeelde verplichting. Wanneer iemand aan een ander een gunst verleent, dan kan zijn of haar vriend naar die ander toegaan, die dan moreel verplicht is om de vriend te helpen, zelfs als dat tegen de zakelijke belangen van die ander ingaat.

De Hanzementaliteit en Hanzewaarden

Onderlinge hulp tussen netwerken van relaties speelt een grote rol bij de Hanzementaliteit en de Hanzewaarden, zij het dat de samenwerking hier uiteindelijk wel tot doel heeft dat het hele netwerk er baat bij heeft en dat niet alleen aan het eigen zakelijke belang en gewin wordt gedacht. Waar de nadruk in het op concurrentie georiënteerde Angelsaksische model ligt op eigen gewin en ieder voor zich, stonden bij het Hanzeverbond (1356 – 1669) coöperatie en samen delen centraal. De Duitse Hanzekoopman Hinrich Castorp wist dit tijdens de Hansetag 1487 in Lübeck treffend uit te drukken: ‘Man muss immer das gemeinsame Beste sehen’.

De oude handelstradities van het Hanzeverbond leren ons dat je er zelf juist beter van wordt wanneer je elkaar iets gunt en ook anderen het beter krijgen. Dit leidt tot meer begrip en respect voor elkaar. Hanzesteden met een vitale economie hadden ook een vitale maatschappij met goed onderwijs, goede gezondheids- en ouderenzorg, goede rechtspraak, kunst en cultuur en spiritualiteit c.q. religie.

Zeker in deze tijden van maatschappelijke stress en economische crisis verdient de Hanzementaliteit extra waardering en aandacht. En dat geldt ook voor de Hanzewaarden: durf en lef, verbondenheid en samenwerking, ondernemerschap, burgerzin en gemeenschapszin. In dit kader is interessant dat de Hanzestad Hattem op zoek is naar een nieuwe burgemeester met een Hanzementaliteit.

Een inspirerend voorbeeld van iemand met de Hanzementaliteit is Friedrich Wilhelm Raiffeisen (Hamm 1818 – Heddesdorf 1888). Als burgemeester van Flammersfeld werd Raiffeisen geconfronteerd met de armoede onder de boerenbevolking en ontwikkelde hij het idee van coöperatieve zelfhulp. In eerste instantie richtte hij daarvoor een charitatieve vereniging op. Al snel kwam hij tot de conclusie dat zelfhulp meer kon bijdragen aan de duurzame verbetering van de situatie van de boeren. In 1864 werd zijn vereniging omgezet in de boerenleenbank (Heddesdorfer Darlehnskassen-Verein), die spaargelden van plattelandbewoners gebruikte voor kredietverlening aan boerenbedrijven. Zijn initiatief kreeg wereldwijd navolging, onder andere in ons land met de Rabobank, waar de coöperatieve bestuursstructuur en cultuur centraal staan.

Een ander voorbeeld is Emil Possehl (Lübeck 1850 – Lübeck 1919). Toen hij kinderloos overleed was hij de rijkste industrieel, senator en beschermheer van Lübeck. En hij had een droom: ‘Mein größter wunch ist es, dass die Früchte meines Lebenswerkes meiner geliebten Vaterstadt, der Freien und Hansestadt Lübeck, zu gute kommen mögen.’ Possehl richtte voor zijn vermogen (ca. 100 miljoen DM) en een deel van de toekomstige bedrijfswinsten de Possehl Stiftung op. Zijn stichting heeft inmiddels 390 M€ geïnvesteerd in honderden projecten in Lübeck waaronder stadsherstel. Op dit moment gaat het jaarlijks om een bedrag tussen de 20 en 25 M€. Een spraakmakend project is het Europees Hanzemuseum. Na de eerste plannen in 2004 ontwierp Andreas Heller Architects & Designers uit Hamburg het later bekroonde museum, dat op 27 mei 2015 werd geopend door bondskanselier Angela Merkel. De bouwsom bedroeg 50 M€ , waarvan 42 M€ is betaald door de Possehl Stiftung en het restant door de Europese Unie. De gemeente Lübeck bracht de grond en het 13-de eeuwse Burgkloster in.

In het post-coronatijdperk kan het coöperatieve Hanzemodel in allerlei moderne vormen herleven, zowel in formele als in informele zin. Deze vorm van samenwerking betekent veelal dat verticale hiërarchische verbanden worden vervangen door horizontale manieren van besluitvorming.  Dit bevordert de gemeenschapszin, onderling vertrouwen en extra draagvlak voor de besluitvorming.

Het Rijnlandse model

Het Rijnlandse Model ligt in het verlengde van de organisatie van het Hanzeverbond. Centraal in Het Rijnlandse Model staat dat bij het nemen van besluiten alle belanghebbenden worden gehoord en dat er zo goed mogelijk rekening wordt gehouden met de verschillende en soms tegengestelde belangen. Op deze wijze wordt door samenspraak en onderling overleg een breed draagvlak voor gemeenschappelijke beslissingen bereikt, waardoor ook de implementatie van die beslissingen gemakkelijker verloopt, dan wanneer die door de beleidsmakers van boven af zijn opgelegd. Dit is ook de basis van het typisch Nederlandse poldermodel, dat zijn oorsprong ruim acht eeuwen geleden vindt in onze eeuwenlange strijd tegen het water en de samenspraak tussen belanghebbenden in het kader van het waterbeheer in polders en de oprichting van de eerste waterschappen.

Samenspraak tussen belanghebbenden verlangt wel een specifieke organisatie, waarbij een onafhankelijke voorzitter de beraadslagingen leidt en zorgt dat deze niet op een Poolse landdag uitlopen. Het doel is dat alle belanghebbenden er beter van worden en dat er zo mogelijk ook nog een eerlijke verdeling van de opbrengsten van het gezamenlijke beleid plaats heeft, het zogeheten zogeheten ‘fair Pareto-optimum’ (Den Butter en Ter Wolde, 2013). Ook wordt verwezen naar het boek ‘Koppelzones’.

En een sprekend voorbeeld van de overlegeconomie in Nederland is de Sociaal Economische Raad (SER), waar werkgeversorganisaties en vakbonden samen met onafhankelijke deskundigen adviezen aan de regering opstellen over beleidsmaatregelen op het gebied van economie en arbeidsmarkt. Wanneer een SER-advies unaniem door de SER-leden wordt onderschreven, dan kan de regering daar maar moeilijk omheen.

Het Nieuwe Europa

De coronacrisis heeft vergaande gevolgen voor de mensheid, de maatschappij en de economie. Maar ook voor de politieke stabiliteit en de verstandhouding tussen de Noordelijke en Zuidelijke lidstaten van de Europese Unie. Na de grote ontberingen van de Tweede Wereldoorlog werd de kiem gelegd voor de Europese beweging en eenwording, hetgeen in 1958 leidde tot de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en in 1993 tot de Europese Unie.  

In het voorwoord van ‘The economic potential of Europe’ (European Movement, Brussel, 1952) wijst de Belgische minister van Buitenlandse Zaken, Paul van Zeeland, er op dat de economische macht van de Nieuwe Wereld (VS met 152 miljoen inwoners in 1952) te danken is aan de politieke omstandigheden, vrijheid en waarden van de emigranten uit de Oude Wereld (lees: Europa met 301 miljoen inwoners in 1952). Maar ook aan de productiviteit, het creatief vermogen en de spirit van de Nieuwe Wereld. Maar hij constateert ook dat Europa niet alleen beschikt over tradities en cultuur,  maar ook over een groot aantal inwoners. Hoewel de bijdrage van Europa destijds achterbleef bij de groei van de VS en de USSR (met 200 miljoen inwoners in 1952) put hij hoop uit de economische groei en kansen op het wereldtoneel, die volgens hem toen in het verschiet lagen. 

Na de Brexit is het inwoneraantal van de Europese Unie 450 miljoen en daarmee na China en India het hoogste ter wereld. Gemeten naar de omvang van de economie zijn de VS momenteel  iets groter dan de Europese Unie, maar de vraag is – zeker met alle onzekerheden over de economische krimp en het beleid van Trump – of dit zo blijft wanneer de economieën zich weer herstellen van de vraaguitval van de coronacrisis. In ieder geval betekent het dat Europa een uitstekende uitgangspositie heeft om in de wereldeconomie na de coronacrisis een sleutelpositie en een leidende rol te verwerven.

Typerend voor het Europese economische model is dat het een monetaire unie (EMU) kent zonder dat er een politieke unie is. Dit gedachtegoed van de klassieke (‘ordoliberale’) Krönungstheorie, namelijk  dat economische en monetaire integratie binnen Europa onhoudbaar zijn zonder politieke unie, werd verlaten bij het Verdrag van Maastricht na afspraken tussen Mitterrand en Kohl in juni 1988 in Evian. Een belangrijke vervolgstap werd gezet tijdens een lezing in Londen op 23 februari 2013 door de toenmalige president van de Europese Raad, Herman Van Rompuy, die niets minder deed dan de gedachte van een Europese (politieke) Unie ten grave dragen (Den Butter en Segers, 2015).

Daarbij komt dat volgens de oorspronkelijke opzet en inrichting van de EMU een politieke unie geen noodzakelijke voorwaarde is voor het succes van de euro als gemeenschappelijke munt. Zo’n monetaire unie, waarbij de wisselkoers als beleidsinstrument is vervallen, vereist wel een goede coördinatie van het economisch beleid tussen de lidstaten. Inmiddels is in euroland met vallen en opstaan de nodige ervaring opgedaan met een dergelijke coördinatie, waarbij begrotingsproblemen in afzonderlijke landen – die eerst via het wisselkoersbeleid werden opgelost – nu via structurele aanpassingen van de economie, en met name van arbeidsmarkt en sociale voorzieningen worden aangepakt. Het betekent dat het Europese model kan worden gekenmerkt als een zorgvuldig afgewogen mengeling van het intergouvernementele en het federalistische gedachtegoed (Den Butter en Segers2014).

Juist die positie sluit goed aan op de zorg voor diversiteit en verdraagzaamheid en voor het naast elkaar bestaan van de verschillende belangen van het Rijnlandse model en op het besef van de Hanzementaliteit dat we uiteindelijk toch elkaar nodig hebben voor onze brede welvaart.  Vandaar het optimisme over onze kansen na de coronacrisis en de kansen en mogelijkheden voor Het Nieuwe Europa. 

Markt en overheid

In het neoliberale Angelsaksische wereld werd het wel en wee van de economie zoveel mogelijk aan het particuliere initiatief en aan de markt overgelaten. Daarentegen spelen de staat en overheid in het Chinese model een dominante rol. In ons land werd – met name in liberale kringen en bij de Ministeries van Financiën en Economische Zaken – het bevorderen van de marktwerking en zo min mogelijk overheidsbemoeienis volgens het neoklassieke model als een belangrijk recept voor het bevorderen van de (materiële) economische welvaart gezien.  Dit beeld was al voor de coronacrisis aan het kantelen. En het laat zich aanzien dat ook in de nieuwe economie na de coronacrisis de overheid een belangrijker rol krijgt toebedeeld dan tijdens de hoogtijdagen van het marktdenken.

Toch hoeft dit niet een principiële verandering te betekenen in de argumentatie die de economische theorie aandraagt voor overheidsingrijpen. Hiervoor geldt nog steeds de analyse in het WRR-rapport Borgen van Publiek Belang.

Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de ‘wat-vraag’ en de ’hoe-vraag’: wat is een publiek belang? en hoe dient de overheid het publiek belang te borgen? Aan de wat-vraag van het publiek belang zal na corona niet veel veranderen. Het gaat om herverdeling van welvaart, voorziening van collectieve goederen zoals rechtsbescherming, veiligheid en infrastructuur, en opheffen van marktfalen zoals neutraliseren van externe effecten. Het laatste betekent onder meer dat moet worden voorkomen dat handelingen van de één nadelig zijn voor de ander. Dit betreft bijvoorbeeld allerlei vormen van overlast, milieuvervuiling, maar ook meeliftgedrag (free riding).

Uiteindelijk is het antwoord op de ‘hoe-vraag’ bepalend voor de mate waarin de markt wordt ingeschakeld voor de borging van de publieke belangen. Het ligt voor de hand dat in de nieuwe economie na de coronacrisis de overheid vaker de ‘hoe-vraag’ zelf zal moeten beantwoorden (lees: meer overheid en minder markt). Een belangrijk aspect daarbij is dat zowel de kredietcrisis als de coronacrisis zijn ontstaan omdat niet goed rekening werd gehouden met negatieve externe effecten, die tot snelle en wereldwijde besmetting hebben geleid (Den Butter, 2020).

Dit betekent dat de institutionele vormgeving van de nieuwe economie beter toegerust moet zijn om deze externe effecten te internaliseren. Meer concreet betekent het: minder internationaal toeristisch en zakelijk reisverkeer en minder risicovol ondernemerschap. De huidige coronacrisis laat ons zien hoe belangrijk het is om lokaal voorraden van essentiële grondstoffen (bijvoorbeeld voor medicijnen) en goederen aan te houden. Maar dit gaat wel in tegen de efficiëntie van het just in time managent van onze productieketens. Toch zal het betekenen dat voor het tegengaan van negatieve externe effecten soms ook de marktwerking met het prijsmechanisme moet worden ingezet. Evidente voorbeelden zijn de energietransitie en de overgang naar een duurzame en circulaire economie. Met prijsbeleid (subsidies en heffingen) kunnen milieu- en afvalbesparende technologieën worden bevorderd en milieuvervuilende productie en consumptie worden afgeremd. Anders gezegd: ook in de nieuw economie na de coronacrisis blijven CO2-heffingen noodzakelijk. Hopelijk zorgt de coronacrisis wel voor een groter politiek en maatschappelijk draagvlak voor een strikt transitie- en klimaatbeleid.

Nieuwe banen

De coronacrisis heeft belangrijke gevolgen voor de arbeidsmarkt.  Veel sneller dan in normale tijden verdwijnen er banen. Maar zoals altijd in de economie komen er ook weer nieuwe banen bij. De vraag is hoe dit proces van baanvernietiging en baancreatie in de loop van de crisis en het navolgende economisch herstel zal plaatsvinden. Welke banen gaan verdwijnen en vooral ook: welke nieuwe banen zullen er bij komen? In ieder geval loopt de werkloosheid, zeker wanneer de periode van contactbeperking en vraaguitval wat langer aanhoudt, in eerste instantie flink op. Het kost tijd om van baan te veranderen, waarbij vaak extra scholing en/of omscholing nodig zijn. Niet voor niets legt de landelijke SER zoveel nadruk op een ‘Leven Lang Leren’ (of: een ‘Leven Lang Ontwikkelen’).

Het gaat dan om onvermijdelijke frictiewerkloosheid, en in iets mindere mate ook om structurele werkloosheid. Onderzoek van Bruil e.a. (2011) toont dat er in het onderzoeksjaar 2004 (een normaal jaar qua conjunctuur) 1,603 miljoen banen zijn gecreëerd en 1,626 miljoen banen zijn verdwenen, wanneer ook kortdurende banen worden meegerekend. Wanneer alleen banen worden beschouwd van langer dat één jaar, zijn er in 2004 jaar nog altijd 487.000 banen gecreëerd en 533.000 banen vernietigd. Dit sluit aan op andere onderzoeksgegevens over baancreatie en baanvernietiging in ons land en illustreert de enorme dynamiek op de arbeidsmarkt. Dit vooral wat betreft de kortdurende banen zoals vakantiewerk en seizoenarbeid. Gelijktijdig nuanceert het enigermate de aandacht die in de pers vaak aan het verlies van een paar honderd banen wordt gegeven (hoe dramatisch ook voor wie het betreft).

In de arbeidsmarkt van de nieuwe economie na de coronacrisis zullen vele nieuwe banen ontstaan ter vervanging van de banen waar dan minder vraag naar is.  CPB-directeur Pieter Hasekamp suggereerde al in Nieuwsuur dat ‘De bagage- afhandelaar op Schiphol misschien in een distributiecentrum moet gaan werken’. En voor de ICT’ers van Booking.com is vast snel ander werk te vinden. Immers ook in de post-corona-economie zal vanwege het milieu minder gereisd worden. Dan zijn allerhande ICT-innovaties nodig om vergaderen, overleggen, beoordelen en besluiten op afstand beter mogelijk te maken. Meer in het algemeen is in ons land, zoals overal in de Westerse wereld, bovendien de tendens dat routinematige banen verdwijnen omdat dit werk steeds meer door procesautomatisering en robotisering wordt overgenomen. Daarvoor komen dan andere banen in de plaats, waarvoor dan menselijk inzicht en anticiperen op nieuwe situaties noodzakelijk zijn (Mihaylov en Tijdens, 2019).

De Hansa School of Economics

De coronacrisis is een uitstekende prikkel om de bestaande plannen voor een nieuw onderwijs- en onderzoeksinstituut voor het economisch en sociaal gedachtegoed van de Hanze te concretiseren.

Bij het nieuwe werken en minder reizen past om het onderwijs zoveel mogelijk digitaal te verzorgen. In de afgelopen tijd hebben hogescholen en universiteiten daarmee veel ervaring  opgebouwd. En de verwachting is dat er ook nog flink wat ICT-innovaties komen, die afstandsonderwijs bevorderen. Iets dergelijks geldt ook op onderzoeksgebied, hoewel daar al veel langer samenwerking met digitale samenspraak plaatsvond.

Het plan is om in Oost-Nederland de grotendeels virtueel opererende Hansa School of Economics (HSE) op te richten, waarbij meerdere HBO- en WO-instellingen samenwerken en hun kennis, ervaring en netwerken delen. Door gebruik te maken van de nieuwe digitale onderwijs- en onderzoeksmogelijkheden kunnen ook gemakkelijk geïnteresseerde Hanzesteden, internationale studenten en bedrijven in Hanzesteden bij dit initiatief worden betrokken. Wel is van belang om ook persoonlijk contact en ontmoetingen te organiseren. Dat kan bijvoorbeeld door aan het eind van een cursusperiode een intensieve week van samenkomst en samenspraak te organiseren, waarbij docenten, studenten en bedrijven contact hebben en eindwerkstukken presenteren en bespreken. In die week kunnen er ook bedrijfsbezoeken worden georganiseerd. Het idee daarbij is dat de HSE-studenten naast persoonlijke contacten ook een eigen bedrijvennetwerk opbouwen. Daarmee komen bedrijven in beeld, waarmee studenten in de toekomst kunnen samenwerken, en die misschien een interessant baanperspectief kunnen bieden. Daarnaast kan binnen de HSE het Hanzespel tot een serious game verder worden ontwikkeld, zodat hiermee op speelse wijze kan worden geïllustreerd hoe belangrijk het is om bij pogingen de eigen welvaart te verhogen rekening te houden met de belangen van anderen.  

Het beste toekomstperspectief

De unieke manier van samenwerken in het Hanzeverbond en het Rijnland en de gezamenlijke Europese historie bieden – met behoud van de eigen identiteit en cultuur, maar met oog voor de voordelen van gemeenschappelijke afspraken en gedeelde waarden – het beste toekomstperspectief voor de samenleving en economie na de coronacrisis. Dan zijn Friedrich Wilhelm Raiffeisen en Emil Possehl in retrospectief niet alleen de peetvaders van het Rijnlandse model, maar ook de inspirators voor een toekomstbestendige maatschappij, een duurzame economie en Het Nieuwe Europa. 

In ieder geval betekent zo’n spilfunctie van Europa in de wereldeconomie dat beangstigende toekomstbeelden zoals in de Brave New World ver van ons bed blijven. Of zoals in de sciencefictionfilm Soylent Green (1973), die het overbevolkte New York in 2022 (!) laat zien, waar door de opwarming van de aarde een verzengende hitte heerst, voedsel schaars is en de overheid met het corrupte bedrijfsleven samenspant.

Ten slotte is er meer nodig dan de normen en waarden van het Hanzeverbond, het Rijnlandse model en Europees wereldleiderschap. De maatschappelijke, economische en geopolitieke dynamiek zal in de komende decennia alleen maar toenemen en (blijven) vragen om meer samenwerking, flexibiliteit en daadkracht van Het Nieuwe Europa.

Dan is goed om te beseffen wat de huidige pincode van de wereld is 1114 is: 1 miljard mensen in Europa, 1 miljard in Noord en Zuid-America, 1 miljard in Afrika en 4 miljard in Azië. En wat de toekomstige pincodes zijn: 1125 in het jaar 2050 en 1145 in 2070.  Met productiviteit, creatief vermogen en spirit kan Het Nieuwe Europa dan het verschil maken.

Economiegids Frank den Butter
AUTEUR FRANK DEN BUTTER | ©EVOLUTIEGIDS | 200521
Economiegids Frank den Butter is hoogleraar Algemene Economie aan de Vrije Universiteit Amsterdam.
harrywebers3
AUTEUR HARRY WEBERS | ©EVOLUTIEGIDS | 200521
Harry Webers is Hanzegids en kwartiermaker
van de Hanze in Oost-Nederland

COPYRIGHT | PRIVACY |CREATED BY MARY SPAN | ARCHIEF

CONTACT US

We zijn momenteel niet aanwezig. Je kunt ons een e-mail sturen, dan komen we er zo snel mogelijk op terug.

Wordt verstuurd

Login met je gegevens

Je gegevens vergeten?