FREEK VAN LEEUWEN | Een geestelijke blik in het bewustzijn-7

7.De bewustwording

Gewaarworden en waarnemen

Het zich bewust worden en verwerken van gebeurtenissen begint met het waarnemen ervan. Hoe verloopt de wisselwerking tussen de gebeurtenis in de buitenwereld, de voortgeleiding van die gebeurtenis door het zenuwstelsel en de hersenen, en het overbrengen ervan naar de menselijke geest?

Stel er valt het beeld van bijvoorbeeld een boom op het netvlies van het oog: een zintuiglijke gewaarwording. Het lichtgevoelige eiwit rhodopsine in de netvliescellen wordt geraakt door fotonen en zij geven daardoor een zintuigprikkel af aan de zenuwvezels van de oogzenuwen, die met iedere netvliescel zijn verbonden. Het uiterlijke beeld van die boom wordt daardoor geheel vertaald in een groep van zenuwprikkels, die door de vezels van de oogzenuw naar het achterste gedeelte van de hersenschors wordt geleid. Een groep met het beeld overeenkomende schorscellen daarvan worden geprikkeld en worden werkzaam, waarbij elektronen in beweging komen, die om zich heen een magnetisch veld gaan uitstralen. Wat de werkzaamheid en uitstraling van hersencéllen betreft, komen zij daardoor geheel overeen met de werkzame menselijke geest, die door werkzaam te worden een lichtuitstraling om zich heen vormt: de aura of ziel.

Het licht van de aura is een doordringbaar, vormbaar licht, waarin de magnetische uitstraling van die hersencellen doordringt, die werkzaam zijn geworden doordat het oog het beeld van de boom opnam. De uitstralingen van die hersencellen drukken vervolgens een afdruk van dat stoffelijke beeld af in het vormbare licht van de ziel, waardoor daar het zielebeeld van de bewuste boom wordt gevormd (zie afbeelding hierboven).

De geest die in het midden van zijn eigen, uitgestraalde ziel aanwezig is, wordt daardoor met dat zielebeeld verbonden en stelt zijn innerlijke licht ervoor open. Op het ogenblik dat de geest dat zielebeeld in zich opneemt, neemt de geest dat beeld waar. De zintuiglijke gewaarwording door het oog, de oogzenuw en de hersenschorscellen, en de afdruk van het beeld in de ziel, is door de opname in de geest een geestelijke waarneming geworden.

Het wetend zijn

Het is de geest die over het vermogen beschikt een bepaald onderwerp, bijvoorbeeld de bewuste boom, ‘waar te nemen’. De geest neemt dan een afbeelding van die boom als een lichtbeeld in zich op en krijgt zo weet van de boom. Het is de géést die dan in een geestestoestand van wetend zijn komt te verkeren: wetend zijn is een tóestand van de geest.

Die geestestoestand kan worden benoemd door van het werkwoord weten een zelfstandig naamwoord te maken: het weten, en de geestestoestand is dan een toestand van het wetend zijn. Het is de géést die dan het wetende is en in een toestand verkeert van het wetende zíjn. In de gehele schepping is de geest de enige, die in deze toestand van wetend zijn kan verkeren.

Het zich bewust zijn

Uit de Duitse zustertaal is in de 17e eeuw het woord bewußt in het Nederlands overgenomen. Het woord bewußt heeft de betekenis bekend: dat, wat wordt gekend, dat waarvan men weet heeft. In het Nederlands is daar het werkwoord zich bewust zijn uit voortgekomen, dat een verplicht wederkerend werkwoord is; grammaticaal juist kan dit werkwoord niet zonder het aanwijzende voornaamwoord zich worden gebruikt, dat verwijst naar degene, de persoon die zich van iets bewust is.

Desondanks is daar toch het zelfstandige naamwoord het bewustzijn uit gevormd, in plaats van het zich bewust zijn; bij die laatste, juiste vorm is onmiddellijk duidelijk, dat er een zelfstandigheid is, die met zich wordt aangeduid en die degene is die in de toestand verkeert zich van iets bewust te zijn, ergens weet van te hebben.

Die zelfstandigheid is de persoon, de menselijke geest die, door het waarnemingsvermogen te gebruiken, in een geestestóestand van zich van iets bewust te zijn komt te verkeren. Door het gebruik van de kunstmatige vorm ‘het bewustzijn’ waarbij ‘zich’ is weggelaten, wordt de indruk gewekt, dat het bewustzijn op zichzelf iets zou zijn, dat het een aanwijsbare zelfstandigheid zou zijn, want er is immers een zelfstandig naamwoord van gemaakt (iets dergelijks is gebeurd met het ik en het zelf). Daardoor is de gedachte ontstaan dat het bewustzijn íets is, dat ergens, op een bepaalde plaats, te ontdekken zou zijn.

Afgaand op een vaag vermoeden zijn natuurwetenschappers al wel gaan zoeken in het enige orgaan dat als mogelijke vindplaats in aanmerking zou kunnen komen: de hersenen. Deze zoektocht is echter bij voorbaat tevergeefs. Het bewustzijn als zou het een zelfstandigheid zijn, is louter denkbeeldig, wat is veroorzaakt door de toestand van onbewuste vereenzelviging met dit bestaan. Deze zoekers zijn op zoek naar wat in wezen hun eigen gééstestoestand is, die zij alleen maar in zichzelf zullen kunnen vinden; maar de menselijke geest lijkt in de genoemde toestand van vereenzelviging op een kenmerkende eigenschap van het stoffelijke oog, dat al ziende zichzelf niet ziet.

Zelfbewustzijn

Alleen door het geestesoog is de menselijke geest in staat de blik naar binnen te keren. De geest vertoont zich dan als een bolvormige wolk van licht en warmte, waarmee de geestelijke vermogens samenhangen, en door die bolvorm beschikt de geest over een inwendige ruimte. Daardoor is de geest in staat de werkzaamheid van de vermogens zowel naar buiten als ook naar binnen te keren: de uitgekeerde en ingekeerde instelling. Wie door inkeer, door zelfbezinning de aandacht naar binnen keert, in zichzelf, kan zich onmiddellijk bewust worden van de werkzaamheid van de eigen, geestelijke vermogens in de vorm van het vermogen de dingen in en om zich heen waar te nemen, ze in zichzelf te overdenken en te doorvoelen, en er vervolgens iets mee te willen doen. Door deze gedachten en gevoelens in zichzelf onder woorden te brengen en deze innerlijke werkzaamheid in zichzelf te ervaren, bewijst de geest rechtstreeks het bestaan van zichzelf en kan er een onmiddellijke zelfbewustwording plaatsvinden.

Deze woorden zijn al zo oud als de mensheid; maar slechts weinigen voegen de daad bij het woord, wat wordt veroorzaakt doordat de aarde een leerschool is, waar de leerling schijnbaar aan zichzelf wordt overgelaten en verder moet gaan met die levensbeschouwing, waarvoor hier zelf werd gekozen.

Het onbewustzijn

Zoals de menselijke geest in de schepping het enige is dat zich bewust kan zijn van iets, zo is dat ook het geval met de toestand, dat de geest zich niet van iets bewust is, ergens geen weet van heeft doordat de geest het niet heeft kunnen waarnemen. De woorden het bewuste en het onbewuste hangen samen met het waarnemingsvermogen en kunnen daardoor alleen eigenschappen van de geest zijn; alleen de geest kan in een geestestoestand verkeren van ‘zich bewust zijn’ of onbewust zijn.

Door de reeds genoemde toestand van onbewuste vereenzelviging met dit bestaan kan de geest hier zichzelf niet zijn en worden zaken omgewisseld: de eigen toestand van onbewust zijn van iets wordt overgedragen op de buitenwereld en daar wordt vervolgens iets vermoed, dat het onbewuste wordt genoemd. Wat in werkelijkheid gebeurt, is dat het om het ‘onbekende’ gaat, om dat wat de geest niet kent, waar de geest geen weet van heeft, maar door de toestand van overdracht wordt een eigenschap van zichzelf op het onbekende overgedragen, waarna dat met het woord onbewuste wordt aangeduid.

De wilshandeling

Na de bewustwording van een gebeurtenis en de verwerking ervan met het denken en voelen, kan er een wilsbesluit worden genomen dat in de buitenwereld moet worden uitgevoerd in de vorm van een uitspraak en/of handeling, bijvoorbeeld om naar de genoemde boom toe te gaan. Het lichtbeeld van het besluit wordt door de geest met wilskracht geladen en met de geesteshand door de ziel heen op de daartoe bestemde plaats op de hersenschors afgedrukt. Dit gebeurt op de motorische gebieden vóór de centrale groef ter plaatse van de calcium-kanalen die zich in de presynaptische eindknoppen bevinden. Zij zijn niet alleen gevoelig voor transcraniële magneetvelden van buiten die in hersenweefsel stroompjes opwekken in de vorm van de zwerfstromen van Foucauld en daardoor de calcium-concentratie veranderen, maar op dezelfde en volkomen natuurlijke wijze is de geest met zijn geestkracht in staat de Ca-ionen bij de presynaptische einknop te beïnvloeden, in beweging te brengen en zo een actiepotentiaal op te wekken, die over de synaptische eindplaat en door de synaptische spleet naar de volgende hersencel wordt overgebracht middels neurotransmitters.

Als er zo voldoende prikkels zijn opgewekt, komen motorische zenuwvezels in werking die de geest in staat stellen met stembanden en mond een uitspraak te doen en met de ledematen een handeling uit te voeren.

In deze uitspraken en handelingen komt de innerlijke werkzaamheid van de menselijke geest rechtstreeks naar buiten toe tot uitdrukking en die geestelijke werkzaamheid is daardoor ook in de buitenwereld voor iedereen zichtbaar. In iemands uitspraken en gedrag is herkenbaar, in welke mate deze persoon zijn of haar geestelijke vermogens bewust en beheerst heeft leren gebruiken, wat de kenmerken zijn van de persoonlijkheid ♥

Literatuur

  1. Steinwede, D., Hildegard von Bingen, Ich hörte die Stimme und sah; Christophorus-Verlag 1989
  2. Ruusbroec, Jan van, Die geestelike brulocht; Lannoo, Tielt, 1977
  3. Swedenborg, Emanuel, De ware Christelijke godsdienst; Swedenborg Genootschap 1936
  4. Hartog, A.H. de, Jacob Boehme, Een bloemlezing; Rozekruis Pers 1998
  5. Lorber, Jakob, Het Grote Johannes Evangelie deel 1-11; De Ster-Schors 1988
  6. Heindel, Max, Wijsbegeerte der Rozekruisers; Uitgeverij Gnosis 1924
  7. Steiner, Rudolf, Inzicht in het wezen van de mens; Vrij Geestesleven 1980
  8. Jung, C.G., Psychologische typen; Servire, den Haag, 1958
  9. Freek van Leeuwen, Geestkunde; Boekenplan 2012
  10. Giancoli, D.C., Moderne Natuurkunde; Academic Service. Den Haag 4e druk, 2010
  11. De Engelse arts en natuurfilosoof William Gilbert beschreef in 1600 in zijn werk De Magnete als eerste magnetische eigenschappen. Hij noemde de uitstralende magnetische kracht de aura van de magneet en ging ervan uit dat die van goddelijke oorsprong was. Faraday voerde helaas het misleidende begrip ‘veld’ in, dat gemeengoed is geworden, terwijl het verschijnsel een ruimte rondom de magneet is.
  12. Freek van Leeuwen, De wisselwerking tussen geest en hersenen; Gamma, jrg. 19 nr. 3 – september 2012 (zie voor een bijgewerkte versie van dit artikel op geestkunde.net, in het menu)
  13. Freek van Leeuwen, Wisselwerking tussen gemoedsgesteldheid en hersenen; Gamma, jrg. 20 nr. 1 – maart 2013
Bekijk het profiel van Freek van Leeuwen

AUTEUR FREEK VAN LEEUWEN | ©EVOLUTIEGIDS | 180711
Zelfrealisatiegids Freek van Leeuwen wil
een brug slaan tussen spiritualiteit en wetenschap.

COPYRIGHT | PRIVACY |CREATED BY MARY SPAN | ARCHIEF

CONTACT US

We zijn momenteel niet aanwezig. Je kunt ons een e-mail sturen, dan komen we er zo snel mogelijk op terug.

Wordt verstuurd

Login met je gegevens

Je gegevens vergeten?