FREEK VAN LEEUWEN | Een geestelijke blik in het bewustzijn-3

3. Buitenzintuiglijke waarnemingen

Deze uitkomst van neurofysiologisch onderzoek is een bevestiging van wat in de esoterische en dieptepsychologische literatuur al geruime tijd bekend was: de menselijke geest beschikt over geestelijke vermogens in de vorm van het waarnemen van de dingen, het overdenken en doorvoelen van de ervaringen daarmee, en na het verwerken daarvan het streven daar iets mee te willen doen.

Wat is er de oorzaak van dat de eigenschappen van de hersenschors een weerspiegeling zijn van de vermogens van de menselijke geest?

Aan sommigen in de mensheid is het vergund geweest een blik te mogen werpen in de geestelijke wereld, die – onzichtbaar voor de mens die overdag in dit aardse bestaan verblijft – deze stoffelijke wereld geheel doordringt (zoals ook radiogolven, waarvan de frequenties als het ware aparte werelden vormen, elkaar doordringen zonder elkaar daarbij te storen).

Mijn beschrijving van die geestelijke vermogens berust op buitenzintuiglijke waarnemingen, die in die zin wetenschappelijk zijn, doordat zij overeenkomen met waarnemingen van hen, mystici, die in het verleden overeenkomstige waarnemingen hebben mogen doen en die ook uitgebreid hebben beschreven: Hildegard van Bingen (abdis) 1), Jan van Ruusbroec (prior) 2), Emanuel Swedenborg (natuurwetenschapper) 3), Jacob Boehme 4), Jakob Lorber 5), Max Heindel 6), Rudolf Steiner (natuurwetenschapper) 7) en Carl Jung (die als psychiater de psychologische typen bij zijn patiënten vond) 8). De geesteswetenschappelijke bevestiging van mijn bevindingen 9) door hen, vond als het ware omgekeerd, vanuit het verleden, plaats.

De geestelijke eigenschappen

Door dagelijkse gebedsoefeningen werd ik al op jonge leeftijd door mijn begeleiders in vervoering gebracht en daarbij verbonden met de bron van alle geesten: de goddelijke algeest, een geest die zich uitstrekt in de eeuwige oneindigheid in de genoemde geestelijke wereld. De algeest doet zich aan mijn geopende geestesoog voor als een oneindige zee van geestelijk licht en geestelijke warmte, en daaruit zijn door verdichting van dat licht en die warmte alle geesten van alle levende wezens voortgekomen als een bolvormige wolk van dat licht en die warmte.

De geestelijke eigenschappen van die bron bleken een aantal tegendelen te zijn: de algeest wordt gekenmerkt door een vrouwelijke rust die zich uitdrukte in een aangenaam geestelijk donker en een geestelijke koelte, en een mannelijke beweging die zich uitdrukte in een geestelijk licht en geestelijke warmte. Ook mocht ik de geestelijke vereniging van die mannelijke en vrouwelijke eigenschappen zien en daarbij zag ik de doordringbaarheid en vormbaarheid van de rust en haar donkere koelte en de doordringende en vormende werkzaamheid van de beweging en zijn lichtende warmte.

Nadat zij zo samen een innige, evenwichtige eenheid hadden gevormd, waarbij de vrouwelijke eigenschappen liefdevol in de mannelijke waren opgegaan – de goddelijke algeest zoals ik die vaker had mogen zien – zag ik als het ware in hun midden door verdichting een bolvormige wolk ontstaan van geestelijk licht – met daarin als het ware opgelost het geestelijke donker. Later werd die wolk van licht vanuit de algeest liefdevol doordrongen met geestelijke warmte – met daarin opgelost de geestelijke koelte. Door die vermenging kwam die wolk van licht en warmte tot leven, waarbij dat licht en die warmte binnen de bol rustig begonnen te wervelen: ik mocht het ontstaan van de menselijke geest zien, door verdichting voortgekomen uit de goddelijke algeest, maar door die verdichting er ook naadloos mee verbonden blijvend.

De geestelijke vermogens

Aan mij was dus getoond dat dat licht en die warmte binnen de menselijke geest, met daarin opgelost de donkere koelte, ook door de doordringbare, vormbare en de doordringende, zelfvormende eigenschappen werd gekenmerkt. Met deze eigenschappen hangen de geestelijke vermogens samen. Als de menselijke geest waarneemt, dan stelt die het geestelijke licht binnen zichzelf als die wolk van licht en warmte, vormbaar open voor inwerking van buiten, waardoor gegevens uit de buitenwereld in de geest worden opgenomen, doordat die zich binnen de geest als lichtbeelden kunnen afdrukken. Als de geest denkt, dan vormt de geest het eigen licht zelf om tot innerlijke lichtbeelden, denkbeelden, die naar buiten toe kunnen worden uitgedrukt. Als de geest voelt, dan stelt die de geestelijke warmte binnen zichzelf ook vormbaar open voor inwerking van de waargenomen gegevens van buiten, waardoor de geestelijke warmtetoestand, wat de gemoedstoestand is, in overeenstemming komt met wat er in de buitenwereld gebeurt; daardoor kan de geest ermee meeleven. Als de geest ten slotte naar aanleiding van de gevormde gedachten en gevoelens er iets mee wil doen, dan brengt die de eigen warmtetoestand, wat dan de wilskracht is in een zodanige krachttoestand, dat de geest in staat is gedachten en gevoelens naar buiten toe tot uitdrukking te brengen in de vorm van bepaalde uitspraken en gedragingen. Om dat laatste mogelijk te maken, zijn de hersenen en in het bijzonder de hersenschors, gevormd in overeenstemming met de eigenschappen van de geestelijke vermogens, wat zoals gezegd ook de bevinding van hersenonderzoekers is.

De vraag kan dan worden gesteld hoe de geest in staat is geestelijke lichtbeelden (gedachten) en warmtetoestanden (gevoelens) uit zichzelf op de stoffelijke hersenschors over te dragen.

De geestelijke uitstraling: de ziel

Binnen de geest zijn gedachten geestelijke lichtbeelden waaraan een bepaalde hoeveelheid wilskracht is gehecht, terwijl gevoelens geestelijke warmtetoestanden zijn waar de wilskracht rechtstreeks mee is verbonden. Tussen de inhouden van de geest en de stof waaruit de hersenen zijn opgebouwd, bevindt zich een overdrachtsmiddel in de vorm van een uitstraling om de geest heen: de ziel. Deze uitstraling wordt om de geest gevormd, als de geest in zichzelf met zijn vermogens werkzaam is.

De geest is de bron van de ziel, vormt er het middelpunt van en ‘woont’ daardoor als het ware in zijn eigen uitstraling; dat is ook de etymologische betekenis van het woord ‘ziel’: het woord ‘zaal’, woonruimte is eruit voortgekomen.

De ziel als de uitstraling uit de geest is een doordringbaar, vormbaar geestelijk licht, terwijl stromen van geestelijke warmte er vanuit de werkzame geest doorheen kunnen gaan; zij bewegen als de geesteshand inhouden van de geest in de vorm van lichtbeelden door de ziel heen. De geesteshand plaatst inhouden vanuit de geest over in de ziel, waar zij worden bewaard: de ziel vormt het geestelijke deel van het geheugen. Door die uitstraling blijft de ruimte binnen de geest vrij van beelden, waardoor de geest zijn beeldvormende, geestelijke werkzaamheid in zichzelf kan voortzetten.

 

Klik hier door naar het vervolg van dit artikel: de geest-stofverhouding

AUTEUR FREEK VAN LEEUWEN | ©EVOLUTIEGIDS | 180711
Zelfrealisatiegids Freek van Leeuwen wil
een brug slaan tussen spiritualiteit en wetenschap.

CONTACT US

We zijn momenteel niet aanwezig. Je kunt ons een e-mail sturen, dan komen we er zo snel mogelijk op terug.

Wordt verstuurd

Login met je gegevens

Je gegevens vergeten?