FRANK DEN BUTTER | SER & sociale innovatie | sociale evolutie

SER en Brede welvaart in De Evolutiegids

9 november 2021 | Frank den Butter | Economiegids

Meer brede welvaart dankzij sociale innovatie?

sociale evolutie bij De EvolutiegidsBrede welvaart en sociale innovatie staan centraal in het recente SER-advies voor de kabinetsformatie. Het is echter onduidelijk aan welke vormen van sociale innovatie men denkt en hoe deze kunnen bijdragen aan meer brede welvaart. Aanscherping is dringend gewenst om duidelijkheid te bieden aan een nieuw kabinet.

De Sociaal-Economische Raad (SER) levert tegenwoordig beleidsadviezen volgens de eigentijdse trends in het politieke debat. Zo staan in het op 2 juni 2021 uitgebrachte advies over het sociaal-economisch beleid twee trendbegrippen centraal, namelijk ‘brede welvaart’ en ‘sociale innovatie’. Het gaat hier om het zogenoemde middellange termijnadvies met als titel ‘Zekerheid voor mensen, een wendbare economie en herstel van de samenleving‘. Hierin geeft de SER een visie op de toekomstige arbeidsmarkt. Het advies is uitgebracht aan de informateur ten behoeve van de kabinetsperiode 2021-2025. Dit is opmerkelijk, aangezien de voorzitter van de SER, Mariette Hamer, in die periode zelf informateur was.

Overigens heeft de SER het niet zelf verzonnen om zo de Haagse mode te volgen.

In juni 2020 had de regering namelijk al een advies aangevraagd om tot een ‘Succesvollere toepassing van sociale innovatie’ te komen.  Daarin geeft de regering alvast een voorschot van wat de tendens van het advies moet worden: ‘Een betere en bredere toepassing van sociale innovatie draagt bij tot hogere maatschappelijke welvaart en heeft zowel economische als sociale voordelen.’ Met sociale innovatie wordt volgens de adviesaanvraag bedoeld: ‘andere manieren van werken, organiseren, managen en samenwerken.’ Overigens duidt zo’n adviesaanvraag wel op veranderende tijden:

In het verleden was de regering terughoudend om vooraf te bepalen wat er in een advies aan zichzelf moest staan.

De adviesaanvraag noemt het begrip ‘brede welvaart’ niet expliciet maar het laat zich aanzien dat de vraag om hogere maatschappelijke welvaart bedoeld is als een vraag om meer brede welvaart. Het probleem is dat in de huidige beleidsdiscussie bij de deelnemers niet erg scherp op het netvlies staat wat het begrip ‘brede welvaart’ nu precies inhoudt.  Ter gelegenheid van het 40-jarig bestaan van de SER Overijssel heb ik vanuit de geschiedenis van het denken over brede welvaart in ons land, dit begrip nader afgebakend. Wat brede welvaart is, wordt daarbij ontleend aan de conclusies van het rapport in april 2016 door de ‘Tijdelijke Commissie Breed Welvaartsbegrip’ onder voorzitterschap van Rik Grashoff aan de Tweede Kamer is aangeboden. Conform het voorstel in dat rapport publiceert het CBS jaarlijks een Monitor Brede Welvaart waarin wordt aangegeven hoe de huidige brede welvaart zich in Nederland ontwikkelt. Dit wordt getoond aan de hand van acht thema’s:

  1. welzijn,
  2. materiële welvaart,
  3. gezondheid,
  4. arbeid en vrije tijd,
  5. wonen,
  6. samenleving,
  7. veiligheid en
  8. milieu.

Met de kleuren groen, grijs en rood wordt aangegeven hoe Nederland het ten opzichte van het EU-gemiddelde doet, en ook of een specifieke welvaartsindicator zich in de goede (meer welvaart-) of verkeerde (minder welvaart-) richting begeeft.

Essentieel is dat hierbij voor een ‘dashboard-benadering’ is gekozen waarbij het beloop van de brede welvaart per indicator wordt weergegeven. Er wordt dus expliciet geen samengestelde indicator berekend waarmee in één oogopslag kan worden gezien of de brede welvaart in ons land is toe- of afgenomen. De reden is dat zo’n samengestelde indicator een politieke keuze impliceert over de mate waarin de verschillende deelindicatoren voor de welvaartsbeleving van belang zijn. Verschillen in politieke inzichten, over bijvoorbeeld de keuze tussen meer economische groei en een beter zorg voor het milieu, kunnen tot verschillen in opvattingen leiden over de vraag of de brede welvaart is toegenomen. En dus ook over de vraag of een beleidsadvies tot meer of minder brede welvaart leidt.

Geef een afgewogen oordeel

Bovendien kan beleid ook nog verschillend uitwerken voor verschillende groepen belanghebbenden. Zo kan bijvoorbeeld een verandering in de pensioenwet gunstig uitpakken voor de jongeren, maar ongunstig voor de ouderen. Op een sterke vermindering van de milieuvervuiling gericht beleid kan ten koste gaan van de economische groei en de materiële welvaart van de huidige generatie, maar een (relatief) voordeel voor de toekomstige generaties opleveren.  De rol van de SER is nu juist dat er via een compromis tussen de verschillende belanghebbenden – sociale partners – in het advies aan de regering een afgewogen oordeel over die politieke voorkeuren wordt gegeven. Die afweging is dan bepalend voor de mate waarin de geadviseerde beleidsmaatregelen de brede welvaart verhogen: met betrekking tot welke indicatoren en voor welke groepen belanghebbenden.

De vraag is nu hoe deze afweging heeft plaatsgevonden in het middellange termijnadvies voor de periode 2021-2025.

Daarbij kan ‘sociale innovatie’ worden opgevat als de instrumentatie om de brede welvaart, althans onderdelen daarvan, te doen toenemen. Bij lezing blijkt het moeilijk om het advies vanuit dit perspectief te bekijken. Zo gaat het advies over een veel breder palet beleidsmaatregelen dan wat als sociale innovatie kan worden aangeduid. De SER adviseert bijvoorbeeld: ‘dat het kabinet fors gaat investeren in zekerheid van werk en inkomen, in toekomstig verdienvermogen, in sterke publieke dienstverlening en een duurzaam leefklimaat’. Ja, zelfs moeten ‘het begrotingsbeleid en belastingheffing… ondersteunend zijn aan brede welvaart.’ En ook: ‘er zijn nu investeringen nodig in onze publieke sectoren, in ons toekomstige verdienvermogen door grotere innovatiekracht en hogere productiviteit, in meer inclusiviteit door gelijkere kansen en eerlijker delen en in een duurzaam leefklimaat, nu en in de toekomst, kortom: in onze brede welvaart.’

Wanneer het advies zich wat meer focust op maatregelen die vanuit het oogpunt van sociale innovatie kunnen worden bezien, gaat het over ‘een proactieve van werk-naar-werk arbeidsmarktinfrastructuur inclusief een leercultuur die is gericht op een leven lang ontwikkelen’ en ‘het bevorderen van sociale innovatie voor een goede inbedding van de transities in de arbeidsorganisaties met betrokkenheid van de medewerkers.’ Deze laatste aanbeveling is de enige in het advies waar sociale innovaties worden genoemd als instrument om brede welvaart te bevorderen. Maar welke onderdelen van de brede welvaart hier worden bedoeld blijft onduidelijk: vermoedelijk gaat het om het zo veel mogelijk vermijden van frictiewerkloosheid bij de te verwachten grote dynamiek in de periode na corona vanwege de vele baanwisselingen en transities die er op de arbeidsmarkt zullen plaatsvinden. Dan zou de (frictie)werkloosheid de welvaartsindicator zijn waar deze aanbeveling voor sociale innovatie als instrument zich op richt.

Het Rijnlandse model als sociale innovator

Een andere aanbeveling betreft sociale innovatie bij de overheid: ‘het verbeteren van de kwaliteit en toegankelijkheid van de publieke dienstverlening met meer ruimte voor professionals om maatwerk te leveren.’ Dan gaat het om het beter benutten van intrinsieke motivatie, inderdaad een vorm van sociale innovatie- voor zover je het een ‘innovatie’ kan noemen – die dan ook expliciet in het advies had kunnen worden vermeld. Dit raakt aan een vorm van politiek leiderschap die Harry Webers en ik in een artikel in de Evolutiegids als Rijnlands hebben aangeduid. Opmerkelijk vanuit het oogpunt van de alom gewenste andere cultuur van politiek leiderschap is ook de aanbeveling tot ‘het inlopen van opgebouwde achterstanden bij uitvoeringsorganisaties, in het onderwijs, de zorg en de veiligheid door marktconforme beloning en beschikbaarheid van adequate middelen en voorzieningen’. Of ‘marktconforme beloning’- wie bepaalt dat? – de juiste instrumentatie is om dit maatschappelijk ongenoegen weg te nemen is maar helemaal de vraag. Beter is het om de wetgeving zodanig vorm te geven dat uitvoeringskosten niet torenhoog oplopen waardoor zich allerlei affaires zoals met de kindertoeslag voordoen.

Waar is de welvaart voor toekomstige generaties?

Het strikte onderscheid tussen doelstellingen en instrumenten om die doelstellingen te bereiken, vervaagt in dit recente SER-advies. Zo luidt de kop van het derde hoofdstuk: “Investeren in brede welvaart, publieke sector en toekomstig verdienvermogen”. Volgens de aloude aan de theorie van de economische politiek van Tinbergen en Theil ontleende inrichting van het poldermodel zou het vanuit een goede opvatting van het brede welvaartsbegrip moeten gaan om ‘investeren in de publieke (=collectieve) sector en toekomstig verdienvermogen om brede welvaart te bevorderen.’ Daarbij moeten volgens het SER-advies ‘forsere investeringen plaatsvinden dan tot nu toe is voorzien, zowel publiek als privaat.’ Dat is een vreemde aanbeveling want de SER geeft een advies aan de overheid: die gaat wel over collectieve investeringen maar niet over private investeringen. En met die investeringen neemt volgens de SER ‘…het besteedbaar inkomen van mensen substantieel toe en voorziet Nederland in het duurzame verdienvermogen voor volgende generaties.’ Dat zijn twee onderdelen van de brede welvaart – meer materiële welvaart nu en meer duurzame welvaart voor toekomstige generaties, waar volgens de standaard economische theorie een uitruil tussen plaatsvindt. Dan is er dus een politieke afweging nodig in welke mate deze investeringen aan de brede welvaart bijdragen.  Bovendien, bedacht moet worden dat bij meer investeringen door de collectieve sector ook de schuld voor toekomstige generaties toeneemt, behalve natuurlijk wanneer de koopkracht voor de huidige generatie via een belastingverhoging wordt beperkt. Ook dat betreft weer een politieke afweging tussen de verschillende onderdelen van de brede welvaart.

Moeten we nu welvaart opofferen voor welvaart straks?

Tijdens het 40 jarig bestaan van SER Gelderland gaf de voorzitter van FNV, Tuur Elzinga, een toelichting op deze advisering over brede welvaart en sociale innovatie. Zijn opmerking daarbij was dat er bij de beleidsaanbevelingen van de SER sprake was van het streven naar een Pareto-verbetering. In dat geval mag ons land, en eigenlijk ook alle individuele belanghebbenden in ons land, er op geen van de verschillende onderdelen van de brede welvaart op achteruit gaan, en moet er op bepaalde onderdelen vooruitgang zijn. Dat lijkt een loffelijk streven maar valt in de praktijk moeilijk te verwezenlijken. Het laat zich toch echt aanzien dat de generatie van nu flink wat materiële welvaart zal moeten opofferen voor de brede welvaart van de toekomstige generaties.

Frank den Butter in De Evolutiegids
AUTEUR FRANK DEN BUTTER | ©EVOLUTIEGIDS | 211109
Economiegids Frank den Butter is hoogleraar Algemene Economie aan de Vrije Universiteit Amsterdam.
Transactie-econoom die onderzoekt hoe Nederland zijn positie als handelsland in de toekomst het beste kan benutten.
Rijnlands leiderschap in De Evolutiegids

Er is een uitweg uit de crisis: Rijnlands leiderschap

Sinds Omzigtgate dienen we na te denken over het leiderschap in de politiek. De kracht zit in Rijnlands leiderschap.

Goede voorouder worden?

Goede voorouder worden?

De toekomst die we willen is mogelijk als we maar goede voorouders zijn.

COPYRIGHT | PRIVACY |CREATED BY MARY SPAN | ARCHIEF

CONTACT US

We zijn momenteel niet aanwezig. Je kunt ons een e-mail sturen, dan komen we er zo snel mogelijk op terug.

Wordt verstuurd

Login met je gegevens

Je gegevens vergeten?