FRANK DEN BUTTER | Brede welvaart | view

Welzijnseconomie in De Evolutiegids

22 april 2021 | Frank den Butter | Economiegids
Brede welvaart op het dashboard

Niet alleen economische groei is bepalend voor de welvaart. In Nederland was onder economen zoals Pieter Hennipman,  Arnold Heertje en Dik Wolfson al langer sprake van omarming van het begrip Brede Welvaart. De afgelopen tijd is het een vast onderdeel geworden van het overheidsjargon. Waar het Bruto Binnenlands Product (bbp) alleen uitgaat van materiële welvaart, geeft het dashboard van de Brede Welvaart een veel genuanceerder beeld van de welvaartsgroei.

Het begrip ‘brede welvaart’ mag zich tegenwoordig in een brede belangstelling verheugen. Volgens Hilde Palland en Harry Webers (2021) kunnen de Hanzewaarden richtinggevend zijn voor een brede welvaart na de crisis. Mary Span (2021) plaatst het begrip brede welvaart in het kader van de ‘welzijnseconomie’. Ingrid Thijssen (voorzitter VNO-NCW) en Jacco Vonhof (voorzitter MKB-Nederland) lanceerden begin februari 2021 deAgenda NL 2030. Ondernemen voor brede welvaart. Naar een nieuw Rijnlandse samenspel’.

Bbp-groei voldoet niet
Kennelijk past deze wens tot verbreding van het welvaartsbegrip in het verlangen naar een maatschappij waar in de periode na corona materiële welvaart ondergeschikt wordt gemaakt aan welzijn en een ‘schone’ toekomst voor onze kinderen en kleinkinderen. Toch is de zoektocht naar indicatoren die een omvattend beeld van de welvaart geven in ons land al veel langer gaande. Een kritiekpunt daarbij is dat bbp-groei per hoofd van de bevolking, die als een dominante welvaartsindicator geldt, te beperkt is. Bbp wordt volgens internationale richtlijnen als onderdeel van de Nationale Rekeningen berekend. Hier zijn inderdaad allerlei bedenkingen tegen te maken. Zo blijft in de berekening van bbp milieuschade (of meer specifiek: met het gebruik van ongeprijsd milieu) buiten beeld. Milieueconomen zoals Roefie Hueting bepleiten dan ook sinds jaar en dag hier rekening mee te houden (zie bijv.
Tinbergen en Hueting, 1991). Bovendien levert de gebruikelijke manier van productiviteitsmeting met alleen arbeid en kapitaal als productiefactoren een overschatting van de feitelijke productiviteitsgroei op wanneer op milieukapitaal wordt ingeteerd. Milieugebruik dient expliciet als factor te worden meegenomen in de berekening van de productiviteit (zie OESO, 2016).

Groei en geluk
Wel wordt bbp (groei) met welvaart geassocieerd omdat er goede correlatie is met verschillende welvaartsindicatoren (tot een bepaalde hoogte ook met welzijn en geluk). Toch geldt hier de zogeheten Easterlin Paradox. Easterlin toonde dat volgens enquêtegegevens in de Verenigde Staten het geluksgevoel in de periode 1946-1970 niet toenam terwijl er in die tijd wel een ongekende economische groei was (zie ook Easterlin et al., 2010,
The happiness–income paradox revisited).

Bovendien blijft welvaart in de neoliberale economische gedachtewereld vaak beperkt tot het niveau van de consumptie, of sterk daaraan gerelateerd, de koopkracht.  Het pleidooi voor een breder welvaartsbegrip is gericht op deze beperking. In Nederland is aan deze welvaartstheoretische beschouwing vooral de naam van Hennipman verbonden. (Zie ook het ESB-dossier over meting van brede welvaart). Ook Arnold Heertje en Dik Wolfson hebben in ons land een belangrijke bijdrage aan dit gedachtegoed geleverd.

Tinbergen en Theil
Dat welvaart meer is dan alleen bbp of economische groei wordt ook onderkend in de theorie van de economische politiek van
Tinbergen: ‘On the Theory of Economic Policy’ uit 1952 en ‘Economic Policy: Principles and Design’ uit 1956. In deze boeken onderscheidt Tinbergen meerdere doelstellingen van economische politiek. Hij laat zien dat wanneer er evenveel doelstellingen als instrumenten zijn, de gewenste doelstellingen altijd met een gepaste inzet van instrumenten kunnen worden bereikt. Later heeft Theil de theorie uitgebreid. Zijn in de American Economic Review in 1956 gepubliceerde artikel  ‘On the Theory of Economic Policy’ toont dat wanneer de doelstellingen in een welvaartsfunctie worden samengevoegd waarbij de gewichten in de welvaartsfunctie politieke voorkeuren representeren, er niet altijd evenveel instrumenten als doelstellingen nodig zijn. En wanneer er verschillende alternatieve instrumenten zijn om de doelstellingen van economisch beleid te bereiken, kan vanuit de politieke voorkeur een keuze uit de instrumenten worden gemaakt.

Doelstellingen SER
Voor de meting van de welvaart in brede zin komt een groot aantal indicatoren in aanmerking. In Nederland hebben, mede op basis van de theorie van Tinbergen en Theil, de doelstellingen van de SER hierbij een belangrijke rol vervult.  Zo noemt de SER in het kader van een breed welvaartsbegrip in het Advies over het Sociaal Economisch Beleid over de periode 1996-2000 (blz. 32-34) drie belangrijke sociaal-economische doelstellingen: (a) een gestage en evenwichtige economische groei, (b) een bevordering van de arbeidsparticipatie, en (c) een redelijke inkomensverdeling. Daarnaast is in dit SER advies uit 1996 veel aandacht besteed aan een vierde doelstelling, namelijk (d) een duurzame ontwikkeling waarbij een integratie van economische indicatoren met milieu-indicatoren dient plaats te vinden. Dit alles is als een aanzet tot een daadwerkelijke indicatoranalyse van de brede welvaart in ons land op te vatten.

Commissie Brede Welvaart
Om de welvaart in brede zin beter in kaart te brengen heeft de Tweede Kamer onder voorzitterschap van Rik Grashoff de tijdelijke commissie Breed welvaartsbegrip ingesteld. In april 2016 heeft deze commissie haar bevindingen aan de
Tweede Kamer aangeboden.

Volgens deze commissie omvat brede welvaart meer dan alleen goederen en diensten die op de markt worden verhandeld. Het behelst ook allerlei andere zaken die voorzien in behoeftebevrediging van mensen, zoals onderwijs, gezondheid, milieu, de informele economie, ongelijkheid en innovatie. Bij het meten van brede welvaart is volgens de commissie niet alleen de welvaart «hier en nu» van belang, maar ook de toekomstige welvaart («later») en de impact van nationale welvaart op andere landen in de wereld («elders»). Om brede welvaart te meten wordt het kabinet geadviseerd het CBS te verzoeken jaarlijks een Monitor Brede Welvaart te publiceren.

Indertijd heb ik in een hoorzitting voor de commissie in januari 2016, (met Roefi Hueting en Arnold Heertje als andere genodigden) wat argumenten aangevoerd die bij meting van een brede welvaart van belang zijn. Zo heb ik bepleit dat bij een indicatoranalyse van de welvaart in brede zin onderscheid dient te worden gemaakt tussen de welvaart binnen de huidige generatie en de welvaart van toekomstige generatie(s). Vanuit dat laatste oogpunt is de intergenerationele welvaartsverdeling van belang. Dat speelt in het klimaat- en energiedebat, in het pensioendebat en in het onderwijsdebat. Dit sluit aan op de aandacht voor «later» in het eindrapport.

Eén welvaartsindicator?
Een belangrijk punt is echter de vraag in hoeverre het mogelijk is om de verschillende indicatoren tot één omvattende welvaartsindicator samen te vatten. Dat is toch vaak de beleidsvraag: in één oogopslag zien of de welvaart is toe- of afgenomen.  Het probleem bij het samenvoegen van verschillende indicatoren tot één samenvattende (geaggregeerde) welvaartsindicator is dat hiervoor gewichten nodig zijn. Deze gewichten zijn echter afhankelijk van de politieke voorkeuren die per politieke stroming (partij) kunnen verschillen. De politiek moet dus deze keuzes zelf maken. Het is ongewenst dat wetenschappers impliciet vanuit een technocratische werkwijze zulke keuzes in een samengestelde welvaartsindicator verstoppen. Het alternatief is de dashboard benadering. Daarbij worden de verschillende indicatoren op overzichtelijke wijze naast elkaar gepresenteerd, zoals voor de bestuurder van een auto, of in de cockpit voor een piloot. Zo’n dashboard bestaat dan uit diverse metertjes en standen die gezamenlijk inzicht moeten geven in de brede welvaart. In het eindadvies van de commissie is voor deze dashboard benadering gekozen.

Technocratische statistiek
Toch is vaak geprobeerd zo’n technocratische invulling te geven aan het begrip brede welvaart. Een voorbeeld is de voor ongelijkheid gecorrigeerde groei zoals deze door de
Europese Commissie (2014, blz. 61) is berekend en bepleit.

De Human Development Index (HDI) van de Verenigde Naties is waarschijnlijk het bekendste voorbeeld van een poging om de brede welvaart in één getal samen te vatten.  De HDI is ontwikkeld vanuit de gedachte dat niet economische groei, maar mensen en hun mogelijkheden centraal zouden moeten staan bij de ontwikkeling van landen. De HDI is een indicator die is samengesteld uit de dimensies levensverwachting (als uitdrukking van gezondheid), opleiding en bruto nationaal inkomen per hoofd. Een voordeel van de HDI is de internationale vergelijkbaarheid; zo is de index door de VN  in hun meest recente rapport voor 188 landen berekend. Maar ook hier is de index een gewogen gemiddelde van verschillende indicatoren waarbij de gewichten niet op politieke voorkeuren berusten. Een zelfde probleem geldt voor de door de Universiteit van Utrecht en Rabobank ontwikkelde indicator voor brede welvaart.

Soortgelijke aggregatieproblemen doen zich ook voor bij de samenstelling van een maat voor de kwaliteit van het milieu op basis van verschillende deelindicatoren. Zo heb ik met Hans van der Eyden een milieu-index voor Nederland opgesteld met gewichten die zijn afgeleid uit een Europese enquête over het relatieve belang van verschillende milieuproblemen (Den Butter en Van der Eyden, 1998). Eerder had ik al in een bijdrage in een boek van twee Wageningse economen (Krabbe en Heijman, 1992) geprobeerd milieu-indicatoren samen te voegen op basis van de zogeheten Amoebe benadering. Hueting koos voor zijn berekening van de correctie van het nationaal inkomen (‘duurzaam nationaal inkomen’) een andere oplossing voor het aggregatieprobleem. In zijn beleving kunnen er fysieke ondergrenzen gesteld worden aan de verschillende milieufuncties die nodig zijn voor milieubehoud. De op het nationaal inkomen uit te voeren correctie kan dan worden berekend door een modeluitkomst zonder restricties te vergelijken met een modeluitkomst waar de ondergrenzen als restricties gelden (zie Verbruggen et al., 2000). Maar ook aan deze berekening kleven problemen: zo moeten de restricties voor alle landen gelden en is er niet met de mogelijkheid van technologische compensatie gerekend.

Dasboardbenadering
Daarom is een dashboard voor de brede welvaart een juiste keuze. Vanuit die optiek beschrijft het CBS in de Monitor Brede Welvaart & de Sustainable Development Goals 2020 hoe de huidige brede welvaart zich in Nederland ontwikkelt. Dit wordt getoond aan de hand van acht thema’s, te weten (i) welzijn, (ii) materiële welvaart, (iii) gezondheid, (iv) arbeid en vrije tijd, (v) wonen, (vi) samenleving, (vii) veiligheid en (viii) milieu. Met kleuren groen, grijs en rood wordt aangegeven hoe Nederland het t.o.v. het EU gemiddelde doet, en ook of een specifieke welvaartsindicator zich in de goede (meer welvaart) of verkeerde (minder welvaart) richting begeeft.

Regeerakkoord op basis van dashboardindicatoren
Deze dashboardbenadering van een brede welvaart kan bijdragen aan de wens in de formatiebesprekingen om tot een regeerakkoord op hoofdlijnen te komen. Zo kunnen alle partijen die tot een coalitie zouden kunnen en willen toetreden, aangeven welke doelwaarden voor de belangrijkste indicatoren uit het dashboard zij voor de komende regeerperiode willen nastreven. Dat geeft dan zicht op de politieke voorkeuren voor de verschillende welvaartsaspecten; politieke partijvoorkeuren die overigens ook al in de doorrekening van
CPB en PBL van de verkiezingsprogramma’s naar voren komen.  Een regeerakkoord zou dan een compromis met streefwaarden zijn. Welke beleidsmaatregelen voor die streefwaarden nodig zijn kan tijdens de kabinetsperiode worden besloten. Tevens kan dan worden bezien in hoeverre de streefwaarden moeten worden bijgesteld, bijvoorbeeld vanwege onvoorziene omstandigheden.

Scheiding politiek en wetenschap
Zo’n regeerakkoord op basis van streefwaarden uit het dashboard betekent een duidelijke scheiding van politieke voorkeuren en een technocratische, of zo men wil wetenschappelijke invulling van de manier waarop de politieke voorkeuren kunnen worden verwezenlijkt. In meer algemene zin geldt dit voor de manier waarop het begrip ‘brede welvaart’ moet worden omschreven en bepaald. Pogingen om de  ‘brede welvaart’ in één getal samen te vatten, zodat onomstotelijk valt te zien of die welvaart is toe- of afgenomen, betekent altijd een vermenging van politieke voorkeuren met wetenschappelijke analyse. Toegegeven zij dat zo’n strikte scheiding in de praktijk moeilijk is: wetenschappers hebben zo hun impliciete voorkeuren en politici willen ook graag wat over de vorm en inhoud van de beleidsmaatregelen te zeggen hebben. Dat neemt niet weg dat zo’n scheiding duidelijkheid verschaft over de rolverdeling tussen politiek en wetenschap. Dat is wat het dashboard voor de brede welvaart beoogt.

Frank den Butter, economiegids Evolutiegids

AUTEUR FRANK DEN BUTTER | ©EVOLUTIEGIDS | 210422
Economiegids Frank den Butter is hoogleraar Algemene Economie aan de Vrije Universiteit Amsterdam.
Transactie-econoom die onderzoekt hoe Nederland zijn positie als handelsland in de toekomst het beste kan benutten.
Welzijnseconomie in De Evolutiegids

Welzijnseconomie, het nieuwe buzzword?

Wat hebben Nieuw-Zeeland, Schotland, IJsland, Costa Rica en Californië met elkaar gemeen? De welzijnseconomie. Maar Nederland blijft niet achter…

Rijnlands leiderschap in De Evolutiegids

Er is een uitweg uit de crisis: Rijnlands leiderschap

Sinds Omzigtgate dienen we na te denken over het leiderschap in de politiek. De kracht zit in Rijnlands leiderschap.

COPYRIGHT | PRIVACY |CREATED BY MARY SPAN | ARCHIEF

CONTACT US

We zijn momenteel niet aanwezig. Je kunt ons een e-mail sturen, dan komen we er zo snel mogelijk op terug.

Wordt verstuurd

Login met je gegevens

Je gegevens vergeten?